Persbericht

Een steelse blik door een sleutelgat, ontstolen aan het verlangen van de schilder. De odalisk wordt begeerd, verrast in haar satijnen stoffen. Ze draait zich amper om, in een oncomfortabele torsie. Maar is haar blik – slechts één oog – de laatste, net voor de minachting en de vergetelheid? Of is het daarentegen de eerste, een uitnodiging tot gedeeld verlangen? De vijf schilders in deze tentoonstelling spelen met de charmes van de interpretatie, ze eigenen zich de picturale inzet van het exotische thema toe – dat veel veranderingen onderging vanaf Ingres (1814) tot aan de Olympia van Manet (1863). Ze fragmenteren het om de aanwijzingen ervan beter te verbergen.

Jérôme Zonder inspireerde zich op de Big Nude van Chuck Close (1967), een kolossaal en ietwat hyperrealistisch naakt van meer dan zes meter lang. Hij fragmenteert een buste, in potlood, om beter de precisie van de huidporie en de warmte van het vlees te vatten, vanaf de tepel tot aan de navel. Hij legt, letterlijk en figuurlijk, de vinger op de essentie van het verlangen, dat van een jong meisje tussen twee leeftijden, van wie het zachte kinderlijke gezicht een lichaam weerspiegelt dat meer begerig is dan dat het begeerd wordt, dat verlangt naar strelingen.

Youcef Korichi beslist daarentegen om de nog warme afwezigheid van het lichaam in de lakens te schilderen. De Venus van Urbino (1538), met een subtiele verwijzing naar Titiaan, verdwijnt in roodkleurige verwarde plooien. En we vragen ons af of dit verwachte lichaam zal terugkeren uit de labyrintische afgronden van een dambord, waar het zich verborgen heeft om beter te herrijzen. Het vrouwengezicht met recht voor zich uitkijkende blik houdt in een ultieme epifanie zijn geheimen verborgen, zoals de geheimen die angstvallig in gouden en ebbenhouten koffers opgeborgen zitten.

Katia Bourdarel verkent ook de plooien van gedrapeerde stof maar haar odalisk is veeleer direct maagdelijk: ze belichaamt de breekbaarheid van het jonge meisje dat ingeslapen is in ivoorkleurige lakens die op zilverkleurige grassen uitgespreid liggen. De bleekheid is die van de huid die zichtbaar wordt in de weerspiegeling van de zon en de bloemen in haar haar herinneren ons eraan dat schoonheid iets elegants is, maar dat in de dromen het verlangen broedt.

Bij Axel Pahlavi is de situatie expliciet: een vrouw wacht op een canapé, als een clown met neergeslagen blik, een wezen dat van het toneel gekomen is met glitterbenen of een gedesillusioneerde naaktheid. De intensiteit van de schreeuwende fluokleuren maakt haar tot het icoon van een al verloren moderniteit, zoals een meisje dat te veel gedanst heeft, tenzij als de vrouw zich weer zou oprichten, met een opwaartse beweging van het hele lichaam of eenvoudigweg door een blik naar de sterren. De kunstenaar heeft zich, mooi en oneerbiedig, ook afgebeeld als odalisk in de clownsneus, waardoor hij het vreemde verhaal bezegelt waarvan hij de auteur is.

Léopold Rabus tot slot grijpt het thema aan om zich beter te kunnen losmaken van het erotische potentieel, om het te bederven of dan toch, niet zonder humor, afstand te nemen, met de hulp van een mooi geplaatste kaars. Het tafereel is somber, een virtuoos spel van licht in de schitterende duisternis en wat zich daar afspeelt zal nooit dit afgesloten universum vol hout verlaten…

Deze vijf kunstenaars verkennen de voorstelling van het naakte lichaam en van het ontstaan van de blik. Toch is er iets wat stand houdt, een blinde vlek in alle schilderijen, een projectieruimte die Georges Bataille niet beter kan uitdrukken dan in een vreemde antifilosofische formule: “Ik denk zoals een meisje haar jurk uittrekt”. Maar wie denkt hier en wie schildert, de schilder of het model? En vooral, wie geeft zich echt bloot?

 

Léa Bismuth

 

Léa Bismuth is kunstcriticus (ze schrijft sinds 2006 in artpress) en zelfstandig curator van tentoonstellingen. Ze woont en werkt in Parijs.